Ze waren met zijn drieën, een man en twee vrouwen. Niemand had ze aan zien komen, en opeens liepen ze vóór de rest uit naar binnen.
Het pistool werkte prima. Een Glock 19 is iets kleiner dan zijn populaire broertje, nummer 17, en heeft een paar afwijkende onderdelen. Maar het is net zo betrouwbaar, en ziet er nagenoeg hetzelfde uit: Gitzwart, hoekig en lekker in de hand. Het Zweedse leger zweert al meer dan twintig jaar bij dit wapen.
Toen ik twee weken geleden mijn contact in Haarlem bezocht, lag alles klaar. Ik had om 120 patronen gevraagd. Een standaard lader van een 19 heeft ruimte voor vijftien patronen, dus een veelvoud van dit getal leek me handig. En met ruim honderd stuks moet ik het toch wel een tijdje uit kunnen zingen. Lijkt me.
Nu ik sinds kort weer met het openbaar vervoer reis, valt één zaak me telkens weer op: ons wachtgedrag. Hoe onbeschoft we in de bus, tram of metro mogen zijn geworden; bij het instappen lijken we net Japanners. Aan weerszijden van de deuren wachten we netjes totdat alle gearriveerde reizigers zijn uitgestapt. Pas als de laatste vertrokken is, schuifelen we naar binnen. Ook dit behoort blijkbaar tot onze cultuur. En geloof me, deze mensen waren daar heus wel van op de hoogte. Het was, daar ben ik van overtuigd, gewoon opzet.
Ze waren alle drie jong, een jaar of vijfentwintig. De meiden hadden vrolijke hoofddoekjes, maar waren ondanks de hitte van top tot teen bedekt. De man had een kaalgeschoren hoofd, een vlassige baard, en droeg een lange, grijzige kiel. Daaronder had hij een kennelijk traditionele broek. Het kledingstuk deed me denken aan de broeken die de Druzen dragen. Zon flodderig geval met het kruis ter hoogte van de knieën. Ik heb me ooit laten vertellen dat deze mensen geloven dat hun Messias (wie heeft er eigenlijk géén Messias?) uit een man geboren zal worden, en dat ze hiermee willen voorkomen dat het arme hummeltje met zijn kop op de keien belandt.
Op het moment dat de laatste passagier uitstapte, schoten zij vanuit het midden naar binnen. De mensen vooraan waren al in beweging gekomen, maar moesten nu opeens inhouden door het voordringen van deze drie. De mensen daarachter, mezelf incluis, botsten tegen hen op.
'Klootzakken', mompelde het meisje voor me duidelijk hoorbaar. Niemand was het met haar oneens.
Het meisje vóór me zat blijkbaar ook graag in de benedenverdieping, en ik volgde haar het trappetje af. De bebaarde jongen had zijn twee vrouwelijke metgezellen voor laten gaan, en daardoor haalde het meisje hem bij de klapdeur in. Maar in plaats van haar ook door te laten glipte hij naar binnen, en liet de deur los. Door pijlsnel haar hand op te houden voorkwam ze dat de deur in haar gezicht sloeg.
Dit was verdomme het toppunt! Nog vóór hij kon gaan zitten was ik bij hem, en tikte hem op de schouder:
'Zeg eens, dat was bijzonder onfatsoenlijk. Dat meisje achter u kreeg de klapdeur haast in haar gezicht. '
Hij draait zich rustig om, alsof hij mij had verwacht. In plaats van direct antwoord te geven laat hij zijn blik langzaam over me heen gaan. We zijn ongeveer even lang, en van hetzelfde postuur. Alleen onze kleding verraadt dat we twee verschillende werelden bewonen.
'Meneer (zijn intonatie bevalt me meteen al niet), u weet niet waar u het over hebt. Er was niemand die achter me liep.'
(Achteraf gezien weet ik niet meer wat me op dat moment méér irriteerde: zijn gedrag van daarnet, zijn antwoord, of het feit dat zijn Nederlands onberispelijk is)
Ik laat me gaan:
'Kom zeg! U dringt voor, dus u wéét (Ik zie dat ik een vinger naar hem uitsteek) dat er na u nog meer mensen instappen. Ik vind dat u dat meisje excuses verschuldigd bent!'
'Meneer, u moet mij echt niet vertellen wat ik moet doen. U begrijpt er echt niets van.'
Iets groter geschut dan maar:
'Als u een echte man bent, geeft u toe dat u fout zat!'
Zoals verwacht raakt hij nu geïrriteerd
'Waar bemoeit u zich mee! U heeft werkelijk, werkelijk geen idee, meneer!'
De meisjes, die tot op dit moment wat hadden zitten giebelen, zijn opeens stil.
'Het staat mij in dit land toch vrij om mijn mening te geven, geloof ik?'
Zijn ogen vernauwen zich, en hij priemt met twee vingers:
'Ach, uw mening doet er niet toe!'
Dan draait hij zich om en gaat zitten.
Natuurlijk wist ik wat hij dacht! Het was klip en klaar! Ik was een ongelovige, iemand tegen wie je volgens bepaalde stromingen ten alle tijden kon liegen. Wat hij van het arme meisje dacht liet zich raden.
De Glock brandde in mijn jaszak, wat dacht je! De kogels zaten al in het magazijn. Vijftien stuks, genoeg om hem en die twee giebelende trutten En néé, dit ging niet om mij, of om mijn ego. Niet omdat hij mij beledigde, of op me neer keek. Uiteindelijk ook niet eens om zijn irritante HBO-accent. Nee, hij verdiende het vanwege het meisje! Een normale meid, gewoon op weg naar haar werk of haar ouders of weet-ik-wie. Man, al was het een meid die haar ouders voor loog, geld jatte van haar oma, en de hoer speelde om haar dure kledingsmaak te bekostigen! Doet er niet toe! Waar haalt zon klootzak het lef vandaan om haar zo te behandelen! Deze gozer is hier geboren, weet hoe het bij ons werkt! Hij zou dus beter moeten weten.
Kijk, van mij mag je mag alle homos dood wensen, vrouwen als minderwaardig beschouwen, en een geit slachten voor jouw God. Heb ik totaal geen problemen mee! Vrijheid van meningsuiting, simple comme bonjour. Ik heb zelf ook enkele overtuigingen die niet stroken met het liberale denken van mijn omgeving. Vrouwelijke priesters? Van mij hoeft het niet. Algemeen kiesrecht? Een vergissing.
Maar de regels van het land dien je te respecteren! Vrijheid, gelijkheid, dat soort zaken. Als één groep dit zou moeten kunnen waarderen, zijn het de allochtonen wel! Zonder onze Westerse waarden zouden deze mensen, als we ze hier al hadden laten komen, openlijk onderdrukt en vervolgd worden. Geen moskeeën, geen suikerfeesten en al helemaal geen islamitische scholen. Ondankbaar, dat is het! Zowel tegenover deze samenleving als tegenover het arme schaapje van zojuist.
Ik keek achterom, zocht het meisje in de coupé. Ze was vlak naast de klapdeur gaan zitten, tegen de rijrichting in. Een vlot, blond type. Bruinverbrand, met sproeten op haar armen en gezicht, zat ze ogenschijnlijk rustig een romannetje te lezen. Maar ik zag méér: Ze zat diep voorover gebogen, met haar schouders strak tegen haar hals. En door het schokken van het boek wist ik dat ze trilde. En dat kwam niet door de trein, want we waren op dat ogenblik op de volgende halte aangekomen. Om te zeggen dat hij haar had gebroken ging natuurlijk te ver. Maar geknakt was ze in ieder geval.
Deze jongen, zo begreep ik, was gevaarlijker dan die rukkers die ik tot dusver was tegengekomen. Geen dom baasje dat zomaar om zich heen schopt, maar een fanaticus. Een revolutionair, wiens visie ons terug naar de middeleeuwen zou schoppen. Een zeloot, die vol verlangen wacht tot zijn tijd gekomen is. Een nieuwe Mohammed Bouyeri of Samir Azzouz. Een bestrijder van onze waarden en de rechtstaat. Een vijand.
De trein trok weer op. Zeker zeven minuten tot het volgende station. Ik had mijn besluit genomen. Snel tastte ik weer in mijn zak. Ik greep de Glock stevig vast, en draaide me om:
De jongen zit bij het middenpad, en reist vooruit. Naast hem bij het raam zit de grootste van de twee meisjes. Een flinke meid, met mooie grote ogen en een Romeinse neus. Ze draagt een neutraal zwart pakje, en een donkerrode hoofddoek met een stippenmotief. Het tweede meisje, kleiner en pinnig, met een gesloten gezicht, zit recht tegenover haar. De twee keuvelen wat, de jongen heeft zijn hoofd richting het raam gebogen.
Voordat ze het in de gaten hebben zit ik naast het kleine meisje. De jongen kijkt op, is even verbaasd. Dan buigt hij voorover en tikt kort maar fel op mijn knie.
'Wilt u ergens anders gaan zitten? Deze mevrouw vindt het niet prettig!'
'Oh?'
'Meneer, ga ergens anders zitten!'
Nog steeds heeft hij zijn hand bij mijn knie. Ik houd me in: Dit is nog niet het juiste moment.
'Waarom vindt ze het niet prettig? En kan ze dat zelf niet zeggen?'
Ik negeer de jongen verder, en draai me naar het meisje naast me. Ik vertel haar mijn naam, en steek mijn hand naar haar uit. Niets. In plaats van zich om te draaien staart ze strak voor zich uit. Zelfs de jongen durft ze blijkbaar niet meer aan te kijken.
'Praat niet met haar!'
Ik draai weer naar de jongen, lach hem toe.
'Ah, denkt u me te kunnen verbieden om met een medemens te spreken? Ik wist niet dat het Kalifaat al was uitgeroepen. Stond dat vanochtend in de Spits ofzo?'
Dan schiet zijn hand vooruit, en met zijn wijs- en kleine vinger maakt hij een soort duivelsteken. Ik, al lang niet meer boos, lach opnieuw:
'Wat doet u nu? Bent u een heavy metal-fan?'
Als antwoord sist hij iets onverstaanbaars.
'Als u me wat te zeggen hebt, doe dat dan in het Nederlands. U spreekt het immers prima.'
'Ik heb jou niets te zeggen, kafir!'
En kijk: het masker is afgeworpen!
'Daar heeft u anders een hoop woorden voor nodig, mijn beste. Hoe dan ook: ik ben niet van plan op te staan. Het is mijn recht om hier te zitten. Dat weet u. En daar kunt u he-le-maal niet aan doen.'
'U boft', sist hij. 'Als deze dames er niet waren, zou ik uw kop er al lang afgeslagen hebben. En voor uw informatie: Er staat op het volgende station een hele groep vrienden van ons te wachten. Misschien wilt u hen ook in de discussie betrekken.'
Typisch.
En op dat moment weet ik wat me te doen staat. Ik steek mijn hand voor de derde maal in mijn zak, en voel het doffe staal tussen mijn duim en vingers. Mijn wijsvinger glijdt om de kleine trekker.
Met mijn hand nog in mijn zak sta ik op.
'Die vrienden van u zullen te laat zijn, vrees ik. Het is nog een paar minuten tot het station, en ons probleem is binnen een vijf seconden opgelost. Misschien kunt u de dames inderdaad maar even vragen om weg te gaan.'
Ik zie dat mijn woorden langzaam tot hem doordringen. In zijn ogen wordt de eerste twijfel zichtbaar. Doorpakken dus!
'Stuurt u de dames nog weg, of hoe zit het? U wilt immers niet dat ik het doe.'
Zijn ogen schieten van mijn gezicht naar mijn verborgen hand, en hij begrijpt het. Langzaam rijzen de zware wenkbrauwen, waardoor zijn gelaatsuitdrukking totaal verandert. De blinde haat maakt plaats voor lichte paniek. Alsof zijn lot, al jaren zó duidelijk zichtbaar, ruw wordt verkracht. Voor hem geen busje met explosieven of gillende mantra's, maar een kaffer met een wapen. In een trein in de polder, omringd door vrouwen. Alsof God hem een loer draait.
Ik kijk hem strak aan
'Wel?'
Hij laat zijn blik zakken, en prevelt opnieuw iets onverstaanbaars. De meiden verroeren geen vin. Dan kijkt hij me weer aan.
Ik lach hem opnieuw toe. Het is, zo weten we beiden, de Lach van de Sterkste.
Hij is klaar voor de genadeklap. Nu!
Vliegensvlug trek ik mijn hand uit mijn zak. De meisjes gillen. De jongen duikt achterover, zijn hand voor zijn gezicht.
Voor hij doorheeft dat mijn hand leeg is, maak ik langzaam het kruisteken.
'De Vrede van Christus zij met u.'
Met deze woorden draai ik me op, en loop richting de uitgang.
De trein kwam met een klein schokje tot stilstand, en ik stapte uit. Op het perron was het rustig. Geen Noord-afrikaan te bekennen.